22 september 2025
Hoe het voelt om Joods te zijn
Heb je je ooit afgevraagd hoe het voelt om Joods te zijn? Wat het voor jou betekent, hoe het je gevormd heeft, welke omstandigheden je je meer of juist minder Joods zouden hebben laten voelen?
Zeker in deze bijzondere, heilige dagen dringt het Joodse deel van je identiteit zich wat meer op de voorgrond. Feestdagen hebben vaak een dubbel effect. Enerzijds herinneren ze ons aan gebeurtenissen die we als volk hebben moeten doorstaan. In de roman Foreskin’s Lament wordt dat behoorlijk scherp samengevat:
“Als kind vertelden mijn ouders en leraren me over een hele sterke man. Ze zeiden dat hij in staat was de hele wereld te vernietigen. Hij kon bergen verplaatsen en zeeën splijten. Het was belangrijk om hem tevreden te houden. Als we deden wat er van ons werd gevraagd, vond hij ons aardig. Zo aardig zelfs dat hij alle mensen zou vermoorden die ons niet aardig vonden. Maar als we niet deden wat hij vroeg, zou hij ons haten. Soms zo erg dat hij ons zelf zou vermoorden; andere keren liet hij anderen het voor hem doen. Die dagen noemen wij ‘feestdagen’. Met Poeriem herdenken we hoe de Perzen ons probeerden uit te roeien. Met Pesach hoe de Egyptenaren ons probeerden te vernietigen. Met Chanoeka hoe de Grieken ons probeerden te doden.
— Gezegend zij Hij, baden we.”
Rosj Hasjana is van een ander soort dan de meeste Joodse feestdagen. Het markeert de schepping van Adam en Eva. Onmiskenbaar een belangrijk moment voor alle mensen, maar toch alleen door ons, de “uitverkorenen”, gevierd. Persoonlijk voel ik weinig binding met dat verhaal. Het helpt ook niet dat de Tora er twee versies van geeft.
De eerste kennen we allemaal: God die op afstand schept.
God zei: “Er moet licht komen,” en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis.
(Genesis 1:3–4, NBV21)
De tweede is rommeliger, bijna huiselijker: God als tuinier die gezelschap zoekt.
God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gevormd. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opkomen, aanlokkelijk om te zien en goed om van te eten; in het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.
(Genesis 2:8–9, NBV21)
En later, na de overtreding:
Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de tuin hoorden wandelen in de avondkoelte, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. Maar God, de HEER, riep de mens: “Waar ben je?”
(Genesis 3:8–9, NBV21)
Maar eerlijk gezegd, deze verhalen zijn voor mij niet de vonk die mijn Joodse identiteit voedt in de dagen van Elul. Misschien zijn ze te universeel. Christendom en islam erkennen Adam en Eva ook, maar vieren geen Rosj Hasjana of Jom Kippoer.
Dus wat maakt dat ik me nu meer Joods voel dan in juni of juli? Misschien is het dat tweede effect van feestdagen: ze zijn onlosmakelijk verbonden met mijn eigen geschiedenis. De 25 keer dat ik eerder op dit punt in het jaar stond. Soms alleen, soms in collectieve angst, maar vaak ook in warme saamhorigheid.
Mijn eerste herinneringen in Nederland brengen me terug naar een groep Joodse expats die mijn vader ontmoette in de taalklas in 2003. Velen hadden kinderen. Kinderen met namen als Noah, Or en Daniel. Kinderen die gewoon wisten dat de appel in de honing hoorde. Die meerdere talen spraken, maar allemaal vonden dat limonade gewoon “miets” was en dat Mozes een gekke Nederlandse naam was voor Moshe. Iedereen had wel een familielid die Moshe heette: meestal oud, wijs, uitdelend met marsepein terwijl hij zelf zonnebloempitten kraakte. En niemand hoefde na te denken bij het zingen, bij het opzetten van de kippa of het aansteken van de kaarsen. Iedereen wist wanneer er “amen” gezegd moest worden.
Later, rond mijn tiende, maakte ik kennis met de Tweede Wereldoorlog in de laatste hoofdstukken van het geschiedenisboek. Leraren werden nerveus en ongemakkelijk, niet goed wetend hoe ze moesten omgaan met een kind dat misschien lastige vragen zou stellen. En dan kwam die ene vraag: “Hoe voelt het voor jou om dit te lezen, Ruth?” – trots op hun bijdrage aan een inclusieve klas. En ik voelde de ogen op mij gericht.
En dáár zit die dualiteit. Het licht en het donker. Twee kanten van hetzelfde verhaal. Enerzijds hoe wij onszelf zien: in onze namen, liedjes, familieleden, talen en herinneringen. Anderzijds hoe we gezien worden door de buitenwereld, vaak verkeerd begrepen, soms pijnlijk herinnerd aan waartoe mensen in staat zijn.
Arnon Grunberg schreef in De Groene Amsterdammer: “De Jood wordt gedefinieerd door wie hem haat.” Hij stelt: “Een positieve identificatie van de Jood is mogelijk, maar buiten de religie — en misschien zelfs daarbinnen — alleen als literaire constructie.”
Hoewel ik de column zeker aanbeveel, kan ik het met die kern niet eens zijn. Ik laat niet aan anderen over wat mij Joods maakt
Over de schrijver
Hoi, ik ben Ruth. Elke week schrijf ik een column over Joods zijn, modern, jong en nieuwsgierig. Soms nodig ik iemand uit voor een gesprek, soms duik ik in onderzoek of introspectie, en soms vind ik weer een andere manier om iets te delen dat betekenisvol kan zijn voor mensen zoals ik — die proberen te genieten van het Joods zijn, modern, jong en leergierig.
Hopelijk zie ik je hier vaak terug!